Het gevaar van kleur

Wie mij een beetje kent, weet dat ik een grote passie heb voor boeken. Sinds ik met naaien begon, is mijn collectie boeken uitgebreid met naaiboeken maar ook boeken over kostuumgeschiedenis, mode, stoffen… Van mijn broer kreeg ik voor mijn verjaardag een geweldig boek cadeau: ‘Fashion Victims: the dangers of dress Past en Present’. Een boek over kledij en haar gevaren, van ontvlambare stoffen, niet-aangepaste vormen, toxische hoedenmakerij tot gevaarlijke kleurstoffen. Over die kleurstoffen wil ik het vandaag graag hebben. Wij zijn het gewend kledij in felle kleuren te dragen en deze dan nog eens elk seizoen in te ruilen voor andere kleuren. Maar ooit wat het anders…

fashion victims2natuurlijke kleurstoffennatuurlijke kleurstoffen

Felle kleuren waren een voorrecht van de rijke klasse die de middelen had om het dure verfproces te betalen en hun kledij te behoeden voor het klimaat, het vuil en het afdragen. De lagere klassen droegen kledij die ofwel niet, ofwel met natuurlijke grondstoffen was gekleurd. Uienschillen, rode bieten, rode kool, bosbessen, spinazie, goudsbloem… vormden de basis van een aantal vale kleuren, nu vaak liefelijk pastelkleuren geheten. Met de industriële revolutie en de opkomst van de synthetische verfstoffen werd gekleurde kleding veel toegankelijke voor de midden- en lagere klassen, echter niet zonder gevaar.

arsenic flowers
Image: Bloomsburry and Wellcome Library, London
1860frenchdress2
foto: Arnold Matthews – Collection of Glennis Murphy

Zo werd felgroen een echte trend in het Victoriaanse tijdperk ( 19e eeuw) dankzij de toevoeging van arsenicum aan de bestaande groene verven. Dames waren dol op de felgroene gewaden en wilden er ook graag een groene hoofdtooi bij waarvan de blaadjes met de hand geverfd waren om nog levendiger over te komen. De dood van een ontwerpster van dergelijke hoofdtooien in Londen in 1861 bracht de gevaren van de felgroene verfstof aan het licht. Sommige hoofdtooien bevatten een dosis om 20 personen mee te vergiftigen, bij de felgroene gewaden was het zelfs een veelvoud. Het duurde echter nog een hele tijd voor de verfstof helemaal verboden werd. En tot op vandaag leeft de mythe van het giftige groen voort. Zo zal je bij het modehuis Chanel bijna geen groen vinden. Coco Chanel, geboren eind 19e eeuw, kende de verhalen en gebruikte o.a. uit bijgeloof geen groen. De mythe werd door haar opvolgers grotendeels in stand gehouden.

1952-175|10310858
Foto: Science Museum London
mauveine2
Foto: Science Museum London

De eerste synthetische kleurstof op basis van alinine was mauveïne, een paarse kleurstof die per toeval ontdekt werd door een student die kinine probeerde te maken. Tot dan was paars de moeilijkste en duurste natuurlijke kleur en daarom ook voornamelijk enkel betaalbaar voor de happy few aan de koninklijke hoven. In de loop van de 19e eeuw werden ook andere synthetische kleurstoffen zoals magenta (rood), fuchsia, paars-roze en blauw ontwikkeld. De verfstoffen werden levendig gemaakt door de toevoeging van arseenzuren of kwiknitraat die soms niet uit het eindproduct werden gewassen. De gevaarlijke producten kwamen zo allereerst in contact met de huid van de ververs en veroorzaakten de meest vreselijke huidziektes. Bij de dragers waren, in tegenstelling van wat wij zouden denken, vooral de kinderen en mannen de slachtoffers van de synthetische kleurstoffen. Door hun actief leven kwam hun zweet sneller in contact met de gekleurde stoffen. Bovendien was rood een populair kleur voor de sokken en hemden van mannen in de werkende klasse.

1876-red-silk-dress-image-via-philadelphia-museum-of-art
Image: Philadelphia museum of art
stockings
image: Museum at FIT

Ook vandaag nog geldt de regel dat je beter je kleren eerst wast na aankoop alvorens deze aan te trekken. De kleren die we bij ons in de meeste grote ketens aantreffen zijn behandeld met een geurloos gas om beschimmeling en verkreuking tegen te gaan. Ze worden bovendien gemaakt in landen waar de regelgeving rond het gebruik van chemische stoffen in de textielindustrie niet zo gereglementeerd is als bij ons en kunnen dus nog sporen van chemische producten bevatten.

Maar natuurlijk is het nog beter een mooie (gewassen stof) zelf te verwerken tot een kledingstuk. Geen chemische producten en een resultaat om trots op te zijn!

Tot blogs,

Tatiana

Naaien met mijn oren

Sinds enkele weken kom ik niet meer aan naaien toe. Eerst was er mijn hardnekkige en pijnlijke tenniselleboog die roet in het eten strooide en verhinderde dat ik mijn patronen kon tekenen en stoffen kon knippen zonder de nodige pijnscheuten. Sinds vorige week ga ik echter ook door het leven met enkele genaaide en getapte vingers dankzij een kristallen vaas die in mijn handen brak en mijn vingertoppen vlijmscherp fileerde.

Wat moet een naaister dan? Ik laste een naaipauze in voor mijn ledematen maar niet voor mijn oren. Ik ben namelijk een heel grote podcastfan. Een podcast is een audiofragment op internet (soms ook een radioprogramma met verschillende afleveringen). Je kan dit audiofragment  downloaden (vb. via Itunes) en dan om het even waar beluisteren. Op de fiets, in de trein, op een wandeling alleen, soms zelf in bed geniet ik van de stemmen die mij eventjes meenemen in een nieuw universum. En ja hoor, er zijn ook naaisters die leuke podcasts maken en mij op hun beurt inspireren met naaitips of kijkje achter gekende naailabels. Je kan het vergelijken met een gezellig theekransje in je naaikamer met vriendinnen die dezelfde passie delen.

Jammer genoeg bestaan er bijna geen Nederlandstalige podcasts over naaien, de meeste zijn in het Engels. Toch heb ik deze gevonden met Sharon Duverger, de oprichtster van zonen 09. Sharon vertelt gepassioneerd over haar avontuur als naaister/onderneemster. Fijn om haar verhaal te horen want ik ben een grote fan van haar patronen!

Bij de Engelstalige podcast zijn er verschillende pareltjes:

Sewing out loud: Mallory Donohue en haar moeder Zede vertellen elke episode kleine verhaaltjes over verschillende naaigerelateerde thema’s en geven daarbij heel veel waardevolle tips zoals vb. welke fouten je echt kan vermijden. Heel verfrissend en nuttig!

Maker style: een hele fijne podcast voor de bloggende en instagrammende naaisters. Rachel spreekt met semi-professionele naaisters hoe je sociale media kan aanwenden om je blog of website bereik te geven en leert je stap voor stap je eigen stijl ontdekken.

Sewing with threads: deze gloednieuwe podcast hoort bij het internationaal erg populaire blad Threads. Heel handig als je met vragen zit over hoe patronen zich verhouden tot echte vrouwenlichamen en waarom een goede ‘fit’ zo belangrijk is. Misschien een ideetje voor de makers van La Maison Victor?

Modern Sewciety: Stephanie Kendron interviewt creatieve blogsters uit de naai-industrie, met een oog voor de laatste trends. Jammer dat er geen dergelijke podcast bij ons bestaat. Er is zoveel naaitalent in Vlaanderen en Nederland!

Dus geen nood als je eens niet kan naaien met je handen, je kan ook op andere manieren met je hobby bezig zijn!

Volgende maand gaan de Girls in Uniform de sportieve toer op. Benieuwd wat we voor jullie in petto hebben? Blijf ons dan volgen!

sport GIU

Tot schrijfs,

Tatiana

‘La Maison Victor’ van de 19e Eeuw

In mijn vorige blogpost vertelde ik jullie hoe onze naaiende voorouders aan hun stoffen en naaiartikelen kwamen. Maar hoe geraakten zij aan de juiste patronen? De meeste dames van de middenklasse hadden de basistechnieken handwerk aangeleerd tijdens hun lagere schooltijd en konden behoorlijk overweg met naald en draad. Net als wij vandaag, hadden ze ook patronen nodig, die ze vonden in populaire handwerkbladen. Geen ‘La maison Victor’ of ‘Burda Style’, maar wel damesbladen met ronkende namen als  ‘De Bazar’, ‘De Gracieuse’ en ‘De Vrouwenwereld’. In tegenstelling tot vandaag konden enkel de dames uit de hogere middenklasse met voldoende personeel zich dergelijke damesbladen permitteren. Zij hadden immers tijd om te handwerken terwijl het personeel hun huishouden runde.

‘De Bazar’ was de Nederlandstalige versie van ‘Die Modenwelt’, het Duitse geïllustreerde tijdschrift voor Kledij en Handwerk. Dit tijdschrift werd opgericht in 1865 en telde vijf dagen na de lancering 3.000 abonnees. Vier jaar later bedroeg de oplage al 100.000 exemplaren en verscheen dit blad, naast Duitsland en Nederland, ook in acht andere landen waaronder Rusland, Frankrijk (‘La Saison’), Denemarken (‘Dagmar’) en Spanje (‘El Correo de la Moda’). De illustraties waren in elk land gelijk, maar de teksten werden aangepast en vertaald. ‘De Gracieuse’ was de Nederlandstalige versie van de Duitse ‘Der Bazar’, een tijdschrift dat vooral de Parijse mode probeerde te verkopen. ‘De Vrouwenwereld’ was deels een modeblad, maar bevatte tegelijk ook poëzie en huis-, tuin- en keukentips.

De bladeren leken ook allemaal erg op elkaar; ze begonnen onder de titel van het blad onmiddellijk met het hoofdartikel en een rijk geïllustreerde zwart-wit gravure. Duidelijk minder visueel dan onze huidige covers van LMV en Burda. De meeste nummers hadden één bijbehorend knippatroonblad, meestal met patronen voor damesmode, nachtkledij of kinderkleding, alles door elkaar. Patronen voor herenmode waren eerder schaars. Ik vermoed dat de heren meer vertrouwen hadden in hun eigen kleermaker. Behalve naaipatronen brachten de damesbladen ook borduur- en haakpatronen voor kledingversiering en gebruiksvoorwerpen. Zo werd er meermaals een patroon gepubliceerd voor een antimakassar. Na een beetje opzoekwerk blijkt dit de het kleedje te zijn dat men over de rugleuning van stoelen en zetels hing om deze te beschermen tegen de toen gebruikte haarolie nl. makasserolie.

Om de patronen van de Gracieuse te bekijken kan je trouwens terecht op de website ‘Het geheugen van Nederland‘. Deze geweldig interessante blogpost van atelier Nostalgia  maakt je wegwijs in hoe je dergelijk patroon moet lezen. Ook  De Bazar is volledig digitaal te bekijken op de site van de Koninklijke Biblioteek van Nederland via deze link.

Dus je ziet, ook 150 jaar geleden waren patroonbladen populair. Het grote verschil is dat de huidige lezeressen niet enkel naaien maar ook het huishouden moeten bestieren. En geef toe, zouden we soms niet stiekem ons enkel met naaien willen bezig houden😊?

Tot schrijfs,

Tatiana

 

 

De voorloper van de webshop

Heb je je ooit al afgevraagd hoe onze naaiende voorouders begin vorige eeuw hun stoffen en fournituren uitkozen, zonder hun huis te verlaten? Webshops bestonden nog niet, en toch slaagden de dames erin om de juiste materialen in huis te halen.

Hoe dan? Wel, ik vond deze zomer in de bibliotheek van mijn overleden vader een interessant boekje uit 1911. Het bleek de catalogus te zijn van ‘le grand magasin du printemps’, een van de beroemste modewinkels van Parijs uit het begin van de twintigste eeuw. De flagshipstore ‘le Printemps’ bestaat trouwens nog steeds op de Boulevard Hausmann te Parijs.

Deze catalogus trok mijn aandacht om verschillende redenen. Hij staat vol stoffen, naaibenodigdheden en (half-afgewerkte) confectiestukken, volgens de mode van 1911-1912, en geeft ons een heel goed beeld over de wijze waarop er gewinkeld werd in deze tijd.

De catalogus opent met een uitzonderlijk aanbod stoffen in uitverkoop. De stoffen zijn in kleine stukjes in de catalogus gelijmd, zodat je als naaister meteen een idee kreeg van de ‘look-and-feel’ van deze stof. Daarna krijg je een lijst met stoffen die tot onze verbeelding spreken. Aangezien de foto nog niet algemeen ingeburgerd was, moest de naaister voortgaan op de beschrijving: crêpe Antoinette, Surah Ecossais, velours côte de cheval, serge anglaise,… Ik veronderstel dat de meeste naaisters toen deze termen wel kenden, maar ik voel me hier helemaal verloren. De meeste stoffen hebben trouwens een breedte tussen 0,50 m en 1m10, een stukje smaller dan nu. Verder in de catalogus staan ook huiden te koop van buidelrat, astrakan (schaap), stinkdier en … kat!

Halverwege de catalogus staan de naaibenodigdheden. Ik herken een heleboel getekende voorwerpen die wij ook vandaag terugvinden in de naaiwinkels: kleermakerskrijt, allerlei soorten linten, patroonradars, naaigaren, drukknoppen, ogen en haakjes, etc. Daarnaast ook enkele opmerkelijke voorwerpen zoals de armpads (tegen transpiratie – de automatische wasmachine bestond nog niet), sokkenophouders (elastiek en stretchstoffen bestonden nog niet) en rubberband om de kraag op te houden.

Alles kon per post besteld worden en werd gratis verzonden vanaf 25 Franse francs. De betalingen gebeurden per cheque. Dit betekende dus enkele weken wachten op dat nieuwe stofje.

Dus dames, als we volgende keer iets bestellen in een webshop, en menen dat het niet snel genoeg gaat, bedenk dan dat onze voorouders veel meer geduld moesten uitoefenen om dat geweldige stofje in handen te krijgen!

Tot schrijfs,
Tatiana

 

 

Kant in Vlaanderen – een liefdesgeschiedenis

In een ver verleden deed ik een vakantiejob in een bekende kantwinkel op de Gentse Korenlei. Ik had niet echt een voorliefde voor kant maar ik kon wel uren kijken naar het prachtige oude kanten doopkleed in de etalage. Aangezien geduld niet mijn grootste deugd is, stond ik vol bewondering voor de persoon die zich aan dit prachtige stuk had gewaagd. Hetzelfde gevoel overvalt me trouwens telkens weer wanneer ik oude portretschilderijen van de 16e en 17e eeuw bekijk. De mooie kanten kragen en mouwen vallen meteen op. Soms lijkt het wel alsof ze niet groot genoeg kunnen zijn, alsof het meteen ook een statussymbool is van de rijkdom van de afgebeelde geestelijke of wereldse gezagdragers.

En hoewel kant doorheen de eeuwen ook onderhevig is geweest aan trends, zien we dat het bij ons nog steeds populair is. Mijn mede-blogsters Lieve en Margot hebben dat tijdens de maand van kant zeker bewezen.

Maar waar komt de originele kant vandaan? Niemand weet precies waar en wanneer de kant werd uitgevonden. Verschillende bronnen verwijzen naar het ontstaan van naaldkant en kloskant in de loop van de 15e Eeuw waarbij twee regio’s, (Frans-)Vlaanderen en Italië,  vechten om de eer.

Je leest het al, er bestaan dus twee verschillende manuele kanttechnieken. Naaldkant wordt gemaakt met naald en draad volgens een vast patroon. Dit patroon wordt getekend op een achtergrond die achteraf verwijderd wordt zodat enkel een stukje open kant over blijft. Kloskant ontstaat door een set klosbobijntjes aan een draad die onderling gedraaid worden en vervolgens vastgezet worden met naalden op een kussen. Wanneer het stukje is afgewerkt dan worden de naaldjes verwijderd en blijft er enkel een mooi stukje kant over.

Aangezien het maken van een stukje kant zeer arbeidsintensief was, kon enkel de hogere klasse zich deze veroorloven. In de 16e en 17e Eeuw  was kant een aantrekkelijke investering. Het kon van het ene op het andere kledingstuk geplaatst worden, het was duurzaam en de overdracht binnen de familie werd soms zelfs testamentair vastgelegd. In Vlaanderen en Italië waren het vooral kloosterordes die gespecialiseerd waren in het maken van kant, maar door de grote vraag naar kant werden overal in Europa nieuwe kantscholen opgericht. De belangrijkste centra bleven echter in Vlaanderen en Italië.

Koning Lodewijk de veertiende, de zonnekoning, kocht zoveel kant in het buitenland dat zijn minister van financiën besloot om zelf een kantcentrum op te richten in Frankrijk en zo te verhinderen dat er teveel geld naar het buitenland vloeide. Hoewel moeilijk te onderscheiden voor leken zoals ik, heeft elke school zijn eigen stijl en wordt de kant dus genoemd naar de plaats van herkomst (Brugse kant, Mechelse kant, Venetiaanse kant, Aleçon kant, Chantilly kant,….), de gebruikte techniek of het specifieke patroon (duchesse kant, ontwikkeld ter ere van de hertogin Marie-Henriette, later de vrouw van Leopold II). Aan het begin van de  18e eeuw vierde de extravagantie hoogtij en kant werd zelfs verwerkt in de enorme kapsels van de hofdames.

De Franse revolutie maakte echter een einde aan de vraag naar kant en deed de Franse kantnijverheid instorten. Met de opkomst van de industrie in de 19e eeuw, ontstond tenslotte de machinaal geweven kant. Kant werd plots een product dat voor iedereen toegankelijk werd. Toen de Britse Queen Victoria bovendien besloot in een met kant beklede bruidsjurk te huwen, werd dit bijna de standaard voor elk huwelijk. Want geef toe, elke vrouw wil zich toch een romantische prinses voelen op die speciale dag…..

queen_victoria

Vlaanderen is één van de weinige regio’s ter wereld waar de manuele kantnijverheid heeft stand gehouden. Dankzij de uitzonderlijke skills van de maaksters en de kwaliteit van onze vlasdraad is onze kant nog steeds heel erg gegeerd. Iets waar we terecht fier mogen op zijn. En ja, vanaf nu wijs ik met heel veel plezier alle geïnteresseerde toeristen de weg naar de Gentse kantwinkel!

liefs,

Tatiana

PS: wil je meer te weten komen, bezoek dan eens volgende websites

https://owlcation.com/humanities/History-of-Lace-Making

http://www.enjoylace.com/nl/geschiedenis-van-de-kant.html

Speldenkussentje van staal

Speldenkussentjes, je hebt ze in allerlei vormen en maten. Het was mijn eerste naaiprojectje, dat ik maakte met de stof van een oude kussensloop, en ik gebruik het nog steeds…

Maar ik las op het net een DIY-tip om je spelden scherp te houden: vul je kussen met staalwol. Het is ergens wel logisch: telkens als je je speld in je kussentje duwt, vijlt de stalen vulling je speldje bij. Voor mijn fijnere lingerienaalden wou ik nog een apart speldenkussentje maken, da’s de perfecte gelegenheid om die tip uit te testen.

speld5Dus, ik naar de doe-het-zelf-zaak om een bos staalwol (of hoe zeg je dat?), en ik ging aan de slag! Als je dit doet:  er bestaat staalwol waar een bepaalde zeep in zit. Zorg dat je die niet pakt, want dan zitten je  naaldjes en je stofjes vol met vlekken. Gewoon droge staalwol nemen.

Het kussentje maken is niet moeilijk, maar de staalwolvulling maakt het niet zo makkelijk om het overal gelijk op te vullen. Even je tijd voor nemen. Zorg dat je dit doet boven een plastieken zeil of zo, want het stof van dat staalwol krijg je niet zomaar uit je beste tafelkleed.

Het resultaat is een iets bobbeliger kussen, en als je er speldjes in duwt, gaat dat iets moeilijker.

Of het effectief werkt? Logischerwijs wel, en ikzelf ben nog geen enkele stompe naald tegengekomen. Integendeel, ik vloek nog steeds even hard als ik er in eentje grijp…

Kende jij de tip?  Werkt-ie bij jou? Laat het ons weten!

Tot schrijfs,

Margot

Het tornmesje: een fantastische uitvinding!

Het tornmesje, in het frans découd-vite en in de volksmond décovit, is één van mijn favoriete naaitools. Niet zozeer omwille van haar functie – het losmaken van stiksels –  want dat betekent dat er weer één van mijn naaiexperimenten mislukt is. Telkens als ik het moet bovenhalen bewonder ik haar vorm, een soort bbqvork met een lange smalle tand en een korte tand met een bolletje. Wie is er ooit op gekomen om dit mesje te ontwerpen als handige naaihulp?

Eigenlijk weet niemand exact wanneer het tornmesje is ontstaan, vermoedelijk ergens op het einde van de 19e eeuw door een slimme naai(st)er. Een van de eerste patenten werd uitgegeven in 1883 aan W. Miller in de VS voor een vingerhoedje met een klein mesje aan. Dit mesje sneed de draden van naaisels op dezelfde manier door als de huidige tornmesjes. Pas in 1898 ontwierp ene John Fisher in Canada een instrumentje dat enkel bedoeld was om draadjes door te snijden.

patent-miller

Patent W.Miller  1883 (www.google.com)

Enkele jaren later, in 1904, ontstond het eerste tornmesje met de bewuste vorkvorm.

patent-minter

Patent Minter 1904 (www.google.com)

Pas in 1973 wordt in de VS een patent voor veertien jaar aangevraagd voor het tornmesje in de huidige vorm. Had mijnheer Ament ooit durven dromen dat zijn mesje 43 jaar later zowat standaard in elke naaidoos zou zitten?

20160805_161639

In mijn naaidoos zitten er alvast drie. Hoeveel exemplaren hebben jullie?

Tot schrijfs,

Tatiana